Inkomen uit huis en werk: box 1

De categorieën waaruit het inkomen uit werk en woning bestaat, zijn:

  1. profiteert van zakelijke of professionele activiteiten
  2. inkomen uit arbeid
  3. resultaat van andere activiteiten
  4. inkomen in de vorm van periodieke betalingen
  5. inkomen uit huis
  6. uitgaven voor inkomensvoorzieningen
  7. negatieve kosten voor inkomensvoorzieningen

1. Winst uit zakelijke of professionele activiteiten

 

Voor de inkomstenbelasting is de definitie van 'winst' dezelfde als die voor de aanslag op de te heffen vennootschapsbelasting. Bij de beoordeling van de winst voor de vennootschapsbelasting wordt echter rekening gehouden met een aantal bijzondere factoren, met name die welke het verschil weerspiegelen tussen de verplichting tot het betalen van inkomstenbelasting en de verplichting tot het betalen van vennootschapsbelasting.

De volgende aanvullende regels zijn van toepassing op personen die een bedrijf uitoefenen en inkomstenbelastingplichtig zijn.

  • Versnelde afschrijving bij het starten van een bedrijf

    Versnelde afschrijving van vaste activa is toegestaan voor personen die onlangs een bedrijf zijn begonnen, onder voorbehoud van bepaalde beperkingen.

  • Overdracht van een bedrijf aan een zakenpartner

    Als een persoon die een bedrijf uitoefent het bedrijf of een deel daarvan overdraagt aan zijn of haar al lang gevestigde zakenpartner, kan de overdracht op verzoek worden vrijgesteld van inkomstenbelasting. De opvolger neemt dan de plaats in van de betrokkene. Een soortgelijke belastingvrije overdracht vindt ook plaats na het overlijden van de bedrijfsleider en de ontbinding van de gemeenschap van goederen.

  • Stopzetting van een vennootschapsbelastingplichtig bedrijf als het moet worden voortgezet als vennootschapsbelastingplichtige onderneming

    Als een persoon die zaken doet die inkomstenbelastingplichtig is, zijn bedrijfsactiviteiten wil voortzetten in de vorm van een geregistreerde vennootschap die onderworpen is aan de vennootschapsbelasting, bijvoorbeeld een besloten vennootschap, kan hij of zij bij deze omzetting om vrijstelling van inkomstenbelasting verzoeken. Het bedrijf neemt dan de plaats in van de betrokkene. Het ministerie van Financiën heeft voor dergelijke situaties standaardvoorwaarden gepubliceerd.

  • Ouderdomsreserve voor zelfstandigen

    Personen die inkomen ontlenen aan bedrijfswinsten of aan zelfstandige werkzaamheden, mogen een bepaald percentage van hun winst verrekenen met het verstrekken van een pensioenregeling. De jaarlijkse bijdrage aan deze reserve mag niet meer bedragen dan een bepaald maximum en er mag geen verrekening plaatsvinden als de reserve de boekwaarde van de bedrijfsmiddelen overschrijdt. Deze reserve kan bij beëindiging van de onderneming worden omgezet in een lijfrente.

  • Aftrek voor zelfstandigen

    Zelfstandigen onder de 65 jaar die minimaal 1.225 uur zakendoen mogen de aftrek voor zelfstandigen in mindering brengen op hun winst. Het bedrag van deze aftrek is omgekeerd evenredig met de omvang van de winst van de onderneming. Personen die recentelijk een bedrijf zijn gestart, mogen de eerste drie jaar een extra bedrag aftrekken.

  • Aftrek voor hulp in het bedrijf

    Een aftrek voor bijstand is toegestaan voor personen die zaken doen waarvan de partner voor het desbetreffende bedrijf werkt maar niet op de loonlijst staat. De aftrek wordt gemaakt van de winst tegen een tarief dat afhankelijk is van het aantal uren dat de partner voor het bedrijf werkt. Het tarief stijgt naar maximaal 4% als de partner in het betreffende boekjaar 1.750 uur of meer in het bedrijf werkt.

  • Aftrek voor winsten verkregen uit de liquidatie van een bedrijf

    Personen die zaken doen, mogen een aftrek tot een bepaald maximum verrekenen met de winst behaald uit de vereffening van een onderneming.

2. Inkomen uit arbeid

 

Deze inkomsten bestaan uit alle inkomsten die in contanten of in natura zijn ontvangen uit huidige en vroegere dienstbetrekking. Inkomsten uit huidige dienstbetrekking omvatten lonen en salarissen, betalingen, fooien, fooien en bepaalde periodieke uitkeringen ontvangen in het kader van de socialezekerheidswetgeving (in contanten), het gratis gebruik van een privéauto en gratis huisvesting betaald door de werkgever (in natura). Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking omvatten pensioenen en invaliditeits-, arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen.

Op salarissen, lonen en bepaalde periodieke uitkeringen uit hoofde van de socialezekerheidswetgeving wordt loonbelasting geheven. De loonbelasting wordt ingehouden door de werkgever en is in wezen een voorheffing op iemands definitieve aanslag inkomstenbelasting.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen forfaitaire bedragen worden afgetrokken voor woon-werkverkeer. Er zijn geen andere arbeidskosten aftrekbaar, met uitzondering van een zeedagenaftrek voor zeevarenden. Werkgevers mogen binnen bepaalde grenzen onbelaste vergoedingen betalen.

3. Resultaat uit andere activiteiten

 

Het resultaat uit overige activiteiten omvat inkomsten uit activiteiten die niet bijdragen aan de winst of de loonlijst. Om als inkomen te worden beschouwd, moet er een redelijke verwachting zijn dat deze activiteiten inkomsten zullen opleveren. Voorbeelden zijn het verstrekken van instapkosten voor huurders, vergoedingen voor diensten en auteursrechten en het veiligstellen van opbrengsten uit activa.

In de meeste gevallen worden inkomsten uit sparen en beleggen belast in box 3. Het behalen van opbrengsten uit activa kan echter leiden tot belastingheffing in box 1. Dit betreft de volgende situaties:

  • activa ter beschikking gesteld aan de partner van de belastingbetaler die de activa gebruikt om winsten uit zaken of uit andere activiteiten veilig te stellen;
  • het rendement van activa veiligstellen op een manier die het normale, actieve activabeheer overstijgt. Bijvoorbeeld de verkoop van gebouwencomplexen in enkele units;
  • activa ter beschikking gesteld aan een besloten vennootschap waarin de belastingplichtige alleen of met zijn of haar partner een aanmerkelijk belang heeft.

4. Inkomen in de vorm van periodieke betalingen 

 
  • Periodieke betalingen die een afzonderlijke inkomstenbron vormen, kunnen in verschillende categorieën worden onderverdeeld. Voorbeelden zijn:
  • betalingen van de staat, zoals bepaalde openbare beurzen en overheidssubsidies;
  • periodieke betalingen volgens het familierecht, zoals alimentatie, tenzij ontvangen van familieleden die een of twee keer zijn verwijderd;
  • andere periodieke betalingen, opeisbaar bij de rechtbank, tenzij ontvangen van naaste familieleden, pleegouders of leden van hetzelfde huishouden, zoals alimentatiebetalingen aan een voormalige partner;
  • looptijd van de lijfrente, waarvan de premies aftrekbaar waren.

5. Inkomen uit huis

 

Voor koopwoningen geldt een bijzondere bepaling. Onroerend goed wordt belast tegen een fictieve huurwaarde, die het saldo vertegenwoordigt van inkomsten en uitgaven in verband met het gebruik van een woning. Deze huurwaarde, een positief bedrag, wordt beoordeeld aan de hand van wettelijke tabellen. Het eigenwoningforfait voor eigenaars is alleen van toepassing op de hoofdwoning. Tweede woningen en overige eigendommen vallen onder box 3. Aangezien normale lasten zijn begrepen in het eigenwoningforfait, mogen geen andere uitgaven dan (hypotheek) rente en erfpacht worden afgetrokken. Deze kosten zijn aftrekbaar voor maximaal 30 jaar.

Om de aankoop van een eigen woning te financieren, wordt vaak een hypotheek afgesloten die is gekoppeld aan een kapitaalverzekering. Het uiteindelijke forfait van een dergelijke verzekering is bedoeld om de hypotheekschuld af te lossen. De kapitaalverzekering wordt belast in box 1. Is de uitkering niet hoger dan € 125.500, - per persoon, dan wordt deze uitkering onder bepaalde voorwaarden niet belast. Voor bestaande kapitaalverzekeringen bestaat een overgangsovereenkomst.

Enkele veelgestelde vragen over inkomen uit huis in onze kennisbank: 

6. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

 

Een aftrek van lijfrentepremies is mogelijk als een pensioentekort kan worden aangetoond.

Bijdragen voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, bijdragen op grond van de Wet op de invaliditeitsverzekering voor zelfstandigen (waz) en lijfrentepremies voor langdurig gehandicapte kinderen of kleinkinderen zijn niet gekoppeld aan een maximaal aftrekbaar bedrag.

7. Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

 

Deze categorie verwijst naar de afkoop van lijfrenten. In het geval dat een belastingplichtige emigreert, wordt een verzekering geacht te zijn omgezet in een forfaitair bedrag.

Andere

 

Buitenlandse werknemers: de 30%-uitspraak 

 

Er wordt een bijzondere toelage toegekend aan bepaalde buitenlandse werknemers die zijn aangesteld bij een binnenlandse werkgever (dwz een in Nederland gevestigde werkgever of een niet in Nederland gevestigde werkgever die loonheffing moet inhouden op het loon dat de werknemer ontvangt) .

Als aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan de werkgever een speciale belastingvrijstelling van 30% toekennen, die wordt betaald bovenop het loon van de werknemer en moet worden beschouwd als een vergoeding voor de extra kosten van levensonderhoud buiten het thuisland. De vergoeding wordt berekend op basis van de hoogte van het loon conform de bepalingen van de Wet op de loonbelasting. Om de grondslag voor de berekening van de 30%-uitkering te verkrijgen, wordt het salaris vermenigvuldigd met een factor 100/70. Werkgeversvergoedingen van schoolgeld voor kinderen die naar internationale basis- of middelbare scholen gaan, zijn ook vrijgesteld van belasting. Naast de 30%-regeling worden kosten in verband met tewerkstelling belastingvrij vergoed.

Buitenlandse werknemers moeten worden aangeworven door of gedetacheerd bij een binnenlandse werkgever in Nederland. De werkgever en zijn werknemer moeten eerst schriftelijk overeenkomen dat de 30%-uitspraak wordt toegepast. Hun gezamenlijke verzoek om de applicatie van deze regel dient u dan in te dienen bij de Belastingdienst (Buitenlandse Belastingplichtigen) in Heerlen. Zodra de aanvraag is goedgekeurd, wordt de 30%-uitspraak vanaf het begin toegepast. De 30%-uitspraak is van toepassing voor een periode van maximaal 60 maanden. Deze periode wordt verkort door een eerdere dienstverband bij een binnenlandse werkgever in Nederland of door een tijd die de werknemer eerder in Nederland heeft doorgebracht, tenzij er meer dan 25 jaar zijn verstreken sinds het einde van die dienstbetrekking, of tijd doorgebracht in de Nederland.

Op gezamenlijk verzoek van de binnenlandse werkgever en de buitenlandse werknemer wordt de buitenlandse werknemer beschouwd als fictieve buitenlandse belastingplichtige wat betreft de heffing van loonheffing en inkomstenbelasting (op enkele uitzonderingen na).

Voor meer gedetailleerde informatie: 30% regeling